vertrekken
/vərˈtrɛkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) weggaan.We waren de dag daarvoor vertrokken.Maar de slang maakte geen aanstalten om te vertrekken.
- (erga) van gelaatstrekken van uitdrukking veranderenZijn gezicht vertrok van woede.
- stoppen met het vervullen van een functieDe meeste mensen zijn vriendelijk in hun oordeel over u. En toch draait uw maag zich half om als u uw vertrekkende directeur mag toespreken of de familie met een tafelspeech mag onderhouden op de bruiloft van uw dochter.
Etymologie
*afgeleid van trekken
Vertalingen
Engelsleave, depart
Franspartir
Duitsfortgehen, weggehen
Spaanssalir, irse, marcharse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek