vertrekken

/vərˈtrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) weggaan.
    We waren de dag daarvoor vertrokken.
    Maar de slang maakte geen aanstalten om te vertrekken.
  2. erga (erga) van gelaatstrekken van uitdrukking veranderen
    Zijn gezicht vertrok van woede.
  3. stoppen met het vervullen van een functie
    De meeste mensen zijn vriendelijk in hun oordeel over u. En toch draait uw maag zich half om als u uw vertrekkende directeur mag toespreken of de familie met een tafelspeech mag onderhouden op de bruiloft van uw dochter.

Etymologie

*afgeleid van trekken

Vertalingen

Engelsleave, depart
Franspartir
Duitsfortgehen, weggehen
Spaanssalir, irse, marcharse