aankomen
/ˈaŋkomə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) een bestemming bereikenU bent aangekomen in Overveen.'Als ik na het eten nog cafeïne drink, doe ik geen oog dicht, en ik kan natuurlijk niet met dikke wallen aankomen op mijn auditie.Want stel je voor dat Sint hier in een ouwe, grauwe paardedeken was aangekomen. Hadden jullie hem dan herkend?
- een kort bezoek brengen*Zullen we even aankomen als we toch in Zwolle zijn.
- treffenHet ongeval was harder aangekomen dan we aanvankelijk dachten.
- (erga) zwaarder wordenHij is de laatste paar maanden aardig aangekomen.
- dichterbij komenZij hoorde de elektrische auto niet aankomen.Meestal zie ik al van mijlenver aankomen wat er aan de hand is en wat er mis dreigt te gaan.
- aanrakenHoewel zijn ouders het hem verboden hadden, kwam de kleuter aan de knopjes in de lift.Nergens aankomen!
- emotioneel raken; emotioneel beroerenWinnaars creëren hun eigen geluk, verliezers hun eigen nederlaag. Geen wonder dat de consequenties van teleurstellende prestaties dan zo ontzettend hard aankomen.
- iets zien aankomen: iets verwachten' 'Net zoals ik gisteravond niet zag aankomen dat ik Caspar Witsen in de ontvangkamer zou aantreffen'.Meestal zie ik al van mijlenver aankomen wat er aan de hand is en wat er mis dreigt te gaan.'Wát? Wist je ervan?' Ze voelt de snik aankomen - dit is haast nog erger dan de aanblik van Jack en haar naakte echtgenoot op de chaise longue in zijn kantoor.
- aankomen aan: krijgen
- aankomen op: berusten op
- erop aankomen: beslissend zijn, van belang zijn
- aankomen met: met iets komen aandragen
Uitdrukkingen
- er zit een mooie tijd aan te komen — vol hoop zijn dat er goede tijden komen
- iemand zien aankomen — iemand geen kans gunnen
- ergens aankomen — met je handen iets aanraken
- het ergens op aan laten komen — riskeren, de gok wagen
- kunnen zien aankomen — voorspellen
- niet kunnen aankomen met — niet als excuus kunnen gebruiken dat
Vertalingen
Engelsarrive, end up, gain weight
Fransarriver, gagner, toucher
Duitsankommen, zunehmen
Spaansllegar, engordar, tocar
Italiaansarrivare
Poolsprzybywać, tyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek