weekender
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets dat geschikt is om in het weekend te gebruiken, iets dat geschikt is om een weekend te gebruikenEr is ook een gesloten cabinversie van de 950, dan wordt de boot als weekender met vier slaapplaatsen verkocht.
- iemand die ergens een weekend verblijft als gast
- weekendtas
Etymologie
* uit het Engels
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek