week
mannelijk/vrouwelijk (de)/wek/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (eenheid) tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondagIn China wordt elke week een kolencentrale gebouwd.Het is principieel onmogelijk een weersverwachting te maken op een termijn van meer dan twee weken.Nu is mijn witte paard ziek. Wilt u alstublieft een drank voor hem maken? Volgende week gaan wij naar Holland en zonder dat paard kan ik niet over de daken rijden.
zelfstandig naamwoord
- zacht gedeelte, dat meebeweegt als het wordt ingedruktHij boort de nagels in het week van zijn handen.op zyn eygen houtje, en dat alleen, doorboort hy de borſt niet, maar het week van de buyk [hypochondrium dextrum] aan de regter zyde
- met weinig weerstandsvermogen of veerkrachtPeren: Gebruik voor het invriezen stevige, in ieder geval niet te weke vruchten.
- gevoelig voor emoties.Hij pakte mijn hand, ik werd helemaal week vanbinnen.
Etymologie
*[C] van "wijk" met klinkerwisseling /ɛi/ → /e/
Vertalingen
Engelsweek, weak, mellow
Franssemaine, mou
DuitsKalenderwoche, Woche, weich
Spaanssemana, blando, tierno
Italiaanssettimana, molle
Russischнеделя, мягкий
Poolstydzień
Zweedsvek, mör, svag
Deensblød
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek