weeheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verdriet, pijn
    Aangezien 'veel hartjes kloppen van meegevoel' wilde hij 'geen roet in het eten strooien', schreef hij in de NRC, maar dat verhinderde hem niet deze poëzie te bestempelen als 'een donzen weeheid en de maakster ervan 'een degenererend gebrek aan durf' toe te schrijven. NRC Elsbeth Etty 9 augustus 1996 [https://www.nrc.nl/nieuws/1996/08/09/t-is-goed-in-t-eigen-hert-te-kijken-de-perfecte-prieelpoezie-7320106-a1104324 't Is goed in 't eigen hert te kijken; De perfecte prieelpoëzie van Alice Nahon]
    Beenloos en onbeholpen huppelen ze door de hoge ruimtes van de Notre Dame om ogenblikkelijk te verstenen als er iemand anders dan Quasimodo aan komt. In de Disney-wereld vormen ze een verademend tegenwicht voor de weeheid van Quasimodo, de door hem aanbeden zigeunerin Esmeralda en vooral de verschrikkelijk nobele, blonde ridder. NRC Bernard Hulsman 20 december 1996 [https://www.nrc.nl/nieuws/1996/12/20/duivels-onder-het-kerkdak-de-gargouilles-van-de-notre-7336224-a941010 Duivels onder het kerkdak; De gargouilles van de Notre-Dame]
  2. misselijkheid

Etymologie

afleiding van wee

Vertalingen

Engelsnausea, disgust