want

/wɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (f)/(m): (kleding) handschoen waarbij alle vingers, behalve de duim in één ruimte zitten
  2. scheepvaart (n): (scheepvaart) de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want)
    De voor- en achterstag rekent men gewoonlijk niet tot het want.
voegwoord
  1. geeft nevenschikkend een reden aan.
    Opm.: ‘want’ kan niet aan het begin van de zin geplaatst worden.
    Ik wil een biertje, want ik heb dorst.
    Helaas was er geen tijd om te genieten van het prachtige uitzicht want we moesten zo snel mogelijk de berg af zien te komen: het weer zou zo weer kunnen omslaan.

Etymologie

*[3] Afgeleid van want (2.) op basis van gelijkenis

Uitdrukkingen

  • van wanten weten

Vertalingen

Engelsmitten, shroud, rigging
Fransmoufle, hauban, cordages
DuitsFäustling, Gut, Want
Spaansmanopla, obenque, jarcia
Italiaansmuffola, sarta
Russischварежка, ванта, потому что