vuist
mannelijk/vrouwelijk (de)/vœyst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gebalde hand, een knuistHij gaf hem een klap met zijn vuist.En dit ' Nella houdt de plattegrond van haar jeugd in haar vuist omhoog.Langzaam, stilletjes, met de rol nog altijd in haar vuist, verwijdert ze zich van haar piepkleine ouders.
- (gereedschap) en zware hamer met een korte steelMet een koudbeitel en vuist werd de vastgeroeste moer er grofweg afgeslagen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘dichtgesloten hand’ voor het eerst aangetroffen in 1237
Uitdrukkingen
- een vuist maken — de krachten verzamelen om tegen iets op te treden
- voor de vuist weg — improviserend
- op de vuist gaan — slaags raken
- uit het vuistje eten — met de handen eten
- in zijn vuistje lachen — achter de hand lachen om iemands onhandigheid/afgang
- de vuist ballen — alle vingers van de hand buigen zodat de hand als geheel een bolvorm krijgt
- met ijzeren vuist regeren — zeer krachtig en veelal ondemocratisch leiding geven
Vertalingen
Engelsfist, lump hammer, club hammer
Franspoing, massette
DuitsFaust, Fäustel
Spaanspuño, maceta
Italiaanspugno, mazzetta
Portugeespunho
Russischкулак
Poolspięść
Zweedsknytnäve
Deensnæve
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek