voogd
mannelijk (de)/voːxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) een door de ouder of de rechter benoemde persoon die zorgt voor de belangen van een minderjarige of een verlengd minderjarige, zijn vermogen beheert en hem vertegenwoordigt in rechtszaken.
- (meest in samenstellingen) bestuurder in naam van een ander of een instelling
Etymologie
* Middelnederlands vōghet, voocht ‘beschermer, bewindvoerder, heerser’, leenwoord uit middeleeuws Latijn vocātus ‘gevolmachtigde, afgevaardigde, beheerder’, door procope van klassiek advocātus; verder zie advocaat. Evenzo ontleend zijn Nederduits Vaagt, Duits Vogt ‘bestuurder, ambtenaar’ en Fries fâd, foud.
Vertalingen
Engelsguardian, tutor
Franstuteur, tutrice
DuitsVormund, Vormundin
Spaanstutor, tutora
Italiaanstutore
Russischопекун
Poolsopiekun
Zweedsförmyndare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek