voogd

mannelijk (de)/voːxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) een door de ouder of de rechter benoemde persoon die zorgt voor de belangen van een minderjarige of een verlengd minderjarige, zijn vermogen beheert en hem vertegenwoordigt in rechtszaken.
  2. (meest in samenstellingen) bestuurder in naam van een ander of een instelling

Etymologie

* Middelnederlands vōghet, voocht ‘beschermer, bewindvoerder, heerser’, leenwoord uit middeleeuws Latijn vocātus ‘gevolmachtigde, afgevaardigde, beheerder’, door procope van klassiek advocātus; verder zie advocaat. Evenzo ontleend zijn Nederduits Vaagt, Duits Vogt ‘bestuurder, ambtenaar’ en Fries fâd, foud.

Vertalingen

Engelsguardian, tutor
Franstuteur, tutrice
DuitsVormund, Vormundin
Spaanstutor, tutora
Italiaanstutore
Russischопекун
Poolsopiekun
Zweedsförmyndare