volume

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wiskunde (wiskunde) afmeting van de hoeveelheid ruimte die een driedimensionaal object of ruimtedeel omvat; het in kubieke eenheden uitgedrukte product van lengte, breedte en hoogte
    Het volume van een stof neemt bij opwarming in de regel toe.
  2. muziek (muziek) sterkte van geluiden
    Kun je s.v.p. met je vurige tengels van de volumeknop afblijven?
  3. fysieke informatiedrager, bijvoorbeeld bij boeken en cd's (⇒ band, boekdeel, deel)

Etymologie

* Leenwoord uit Frans volume ‘inhoud, omvang’, geleerde ontlening uit Latijn volūmen ‘manuscriptrol; kromming, draaiing’.

Vertalingen

Engelsvolume, volume
Fransvolume, volume
DuitsVolumen
Spaansvolumen, tomo, volumen
Poolsobjętość