inhoud
mannelijk (de)/ˈɪnhɑut/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- datgene wat bevat is in een ander lichaamDeze zak heeft wijn als inhoud.Terwijl ze met het ingepakte schilderij naast zich achter op de ezelkar zat die hen naar Malaga zou brengen, een tocht van dertig kilometer, verbaasde ze zich erover dat de inhoud van het pakket zo dik leek onder het papier en touw.' Met grote angstogen draaide Teresa haar hoofd naar hem toe, zodat Gregorio gedwongen was haar aan te kijken, terwijl de inhoud van de fles in haar keel werd gegoten.
- (wiskunde) afmeting van de hoeveelheid ruimte die een driedimensionaal object of ruimtedeel omvat; het in kubieke eenheden uitgedrukte product van lengte, breedte en hoogteDe inhoud van die kubus bereken je door de lengte, de breedte en de hoogte met elkaar te vermenigvuldigen.
- het geheel van handelingen en gedachten vervat in een boek of ander mediumDe inhoud van dit WikiWoordenboek groeit met de dag.De voorzieningenrechter stelde in juli dat de inhoud van het rapport op twee punten onzorgvuldig was, maar dat de gebreken niet zo groot waren dat het hele rapport onrechtmatig was.
- betekenis van ietsIn onze tijd bestaat er een toenemende belangstelling, zowel voor de folklore als voor de achtergrond en de inhoud van de feesten. Temeer als die beleefd kunnen worden door het hele gezin en de hele groep, jong of oud.
Etymologie
* Middelnederlands inholt, -houd, inghehout ‘binnenhout van een schip; inhoud van een geschrift’, afleiding van inhouden ‘be-, omvatten’. Evenzo afgeleid zijn Nederduits Inholt, Duits Inhalt en Fries ynhâld.
Vertalingen
Engelscontent, volume, contents
Franscontenu, volume, contenu
DuitsInhalt, Volumen, Inhalt
Spaanscontenido, volumen, contenido
Poolsobjętość
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek