volheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het helemaal gevuld zijn zonder dat er iets ontbreekt; het helemaal perfect zijnDonker, somber. Zo zag de kerk van Zwillbrock eruit toen Edgar Jetter haar in 1958 voor het eerst betrad. Maar onder de lagen bruine verf vond hij de kleurrijke barokke kerk terug, die in 1748 was ingewijd. „Inmiddels spiegelt hier de volheid van de hemel weer op aarde neer." Tubantia Roel Lutkenhaus 10-09-08 [https://www.tubantia.nl/overig/rondleiding-door-gerenoveerde-kerk-in-zwillbrock~a92fb770/ Rondleiding door gerenoveerde kerk in Zwillbrock]Die volheid van het leven is mooi. Tegelijk merk ik dat het goed is om soms met een boeddhistische bril naar het leven te kijken. Wat Boeddha 2500 jaar geleden zei, kan nu nog een enorme inspiratiebron zijn." Tubantia 01-03-17 [https://www.tubantia.nl/enschede/nuchtere-enschedeer-schrijft-meditatieboek-dit-helpt-als-fc-twente-verliest~af9a7150/ Nuchtere Enschedeër schrijft meditatieboek: ‘Dit helpt als FC Twente verliest’]‘Al wie heeft geleefd, weet dat de volheid van het leven niet alleen uit feest maar ook uit kwetsuren bestaat. De Standaard 13 APRIL 2018 [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180412_03459470 ‘Vitalisme is onze middelvinger naar de onbestaande goden’]
Etymologie
* afleiding van vol
Vertalingen
Engelsplenitude, fullness
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek