vlieg

mannelijk/vrouwelijk (de)/vlix/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tweevleugeligen (tweevleugeligen) tweevleugelig insect
  2. overige vliegende insecten die niet tot de tweevleugeligen behoren maar wel met die naam worden aangeduid zoals haften en vuurvlieg (een kever)

Etymologie

* In de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Er [niet] zijn om vliegen te vangen.Ergens [niet] aanwezig zijn voor iets onbetekenends
  • Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn.Men bereikt het meest door zich vriendelijk naar anderen op te stellen
  • Twee vliegen in één klap [slaan]Twee (of evt. meer) zaken met één enkele handeling bereiken of oplossen
  • [Nog] geen vlieg kwaad doenHeel aardig, goed en vriendelijk zijn; niets kwaads in de zin hebben
  • Iemand vliegen afvangenIemand anders geen kans geven om met een eigen idee, oplossing e.d. te komen door zelf al iets vergelijkbaars te zeggen of te doen, iemand voor zijn
  • Sterven als vliegenMassaal sterven

Vertalingen

Engelsfly, housefly
Fransmouche
DuitsFliege
Spaansmosca
Italiaansmosca
Portugeesmosca
Russischмуха
Chinees蝿, 蠅, 蝇
Japans
Arabischذبابة
Turkssinek
Poolsmucha
Zweedsfluga
Deensflue