vlek

mannelijk/vrouwelijk (de)/vlɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vieze of verkleurde plek
    Er zat een vlek op zijn nieuwe broek.
    Voor mij was het nog steeds een grijs ovaal met een witte vlek erin, iets wat je niet eens zou opvallen als je niet wist dat het een tumor was.
    Zelfs op de begrafenis waren ze felrood, als een bewegende rode vlek in een verder zwart-witfilm.

Etymologie

* In de betekenis van ‘smet’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsblot, spot, stain
DuitsFleck
Spaansmácula, mancha, aldea
Italiaansmacchia
Russischпятно
Poolsplama