vleeswaren
meervoud/ˈvleswarə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) verzamelnaam voor producten uit bewerkt vlees, zoals worst of boterhambelegIn het keukentje zet hij ondertussen koffie, schenkt sap in grote glazen, legt kaas en vleeswaren op aparte bordjes.Verbouwereerd zocht ik steun bij mijn briefje en begon de vleeswaren op te lezen. „Een ons rookvlees, een ons schouderham, biefstukje...”
- (figuurlijk) (pejoratief) (seksualiteit) lichaamsdelen die nadrukkelijk worden getoond om erotische gevoelens op te wekkenVerloren gelopen honden worden vaak gevonden aan de hand van flyers, chips en dergelijke meer. Arlene Mossa Corona (20) gaat nog een stapje verder. Ze perst haar vleeswaren in een bikini, maakte een reusachtig billboard met foto's van haar verdwenen chihuahua en schuimt daarmee de straten van San Diego af.
Etymologie
*"vleeswaar" met de uitgang -en
Vertalingen
Spaanscharcutería
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek