vishandelaar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) iemand die vis in- en verkoopt
    Er stond al een rij bij de steiger van vishandelaar Brown om Sandhamn-schol te kopen, die Brown even snel schoonmaakte en fileerde als opa Oscar.
    De 66-jarige Lim is de zoon van een vishandelaar uit Singapore, verdiende geld met de effectenhandel en werd miljardair door investeringen in palmolie, vastgoed en de gezondheidszorg. Zijn grootste liefhebberij: voetbal.