vishandel

mannelijk (de)/ˈvɪshɑndəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. viswinkel of viskraam
    Een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bezoekt elke maand tientallen restaurants, toko’s, bakkerijen, slagerijen en vishandels. NRC 2 augustus 2016