visben

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɪzbɛn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) mand om vis in te vervoeren en voor de verkoop aan te bieden
    Meisjes, die de visben dragenvan Ter Hei af naar Den Hage,komen hier voorbij de deur.Hieruit nemen wij de keurvan de rond- en van de platvis,vis, die zonder dit of dat is.