vingervlugheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
    Op de zolderkamer in een hoekje staat een bureau met een laptop en een pc. Lars Douwe Schuitema klikt met een ongelofelijke vingervlugheid op zijn muis. De achtienjarige Enschedeër speelt het computerspel Starcraft II echter niet allen uit tijdverdrijf. Hij traint hard om uiteindelijk professioneel gamer te worden.
    Jan Schippers mag dan al negentig jaar zijn, hij is nog steeds kwiek, gezond en geestelijk goed bij. In zijn huiskamer laat de jubilaris de alt-saxofoon klinken. „Het blazen gaat nog prima. Ik heb nog steeds lucht genoeg", demonstreert hij. Ook met de vingervlugheid is niets mis, blijkt als hij een snelle toonladder blaast.

Etymologie

*afgeleid van vingervlug

Vertalingen

Engelsnimble-fingeredness, sleight of hand