vingerhoedje
/ˈvɪŋɛrˌhucə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zakjeszwammen) bepaald soort paddenstoel, uit de familie , met een gladde tot zwak gerimpelde en licht- tot donkerbruin gekleurde hoed
Etymologie
**[2] omdat de vorm van de hoed aan een vingerhoed doet denken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek