vertrouwen

onzijdig (het)/vərˈtrɑuwə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie (psychologie) het geloof in betrouwbaarheid van een persoon of zaak
    Ik heb alle vertrouwen in je.
    ‘Ik heb vertrouwen in het handelen van de overheid. Ik heb desinfecterende handgel bij me, net als in de tijden dat ik uitgezonden was naar Afrika. Zelf ben ik niet zo bang voor het virus.
    Op de trail voelde zij zich veilig en herwon ze langzaam weer haar vertrouwen in de mens.
werkwoord
  1. ov (ov) geloven in de betrouwbaarheid van een persoon of zaak
    Wij zullen je voortaan meer vertrouwen.

Etymologie

* van 'vertrouwen' (ww) ()

Uitdrukkingen

  • Vertrouwen is goed, controle is beterUitspraak van {{w|nl|Vladimir Lenin|Vladimir Lenin
  • Vertrouwen komt te voet en gaat te paard.Het is veel gemakkelijker om het vertrouwen in iemand of iets te verliezen dan om het te krijgen

Vertalingen

Engelstrust, confidence, faith
Fransconfiance
DuitsVertrauen, vertrauen
Spaansconfianza, confiar
Japans信頼
Poolszaufanie, ufać
Zweedsförtroende