verlopen

/vərˈlopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) zijn geldigheid verliezen
    Dat paspoort verloopt volgende maand.
  2. erga (erga) een neergaande lijn vertonen
    De belangstelling voor dit onderwerp verliep geleidelijk.
  3. van maat veranderen
  4. verouderd (verouderd) weggelopen
  5. voorbij gaan
    Mijn gehele base weight kreeg ik na verloop van tijd onder de 8 kilo.
  6. veranderen van de ene naar de andere toestand
    De overgangen tussen waarnemen dat altijd onbewust blijft (van het vomeronasale orgaan), halfbewust waarnemen dat bewust kan worden gemaakt (de kleding die gedragen wordt en de petite Madeleine) en volstrekt bewust waarnemen, verlopen geleidelijk.
werkwoord
  1. niet meer geldig of niet meer van toepassing
    Een verlopen rijbewijs.
  2. in een vervallen toestand verkeren
    De nieuwe eigenaar heeft die verlopen winkel weer in oude luister hersteld.
    De verlopen man was na zijn scheiding verslaafd geraakt aan alcohol.

Etymologie

*afgeleid van lopen

Vertalingen

Engelsexpire, decline, expired
Fransexpirer, décliner, expiré
Duitsablaufen, zurückgehen, verstrichen
Spaansexpirar