vel

onzijdig (het)/vɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) huid [1]
    Haar vel lag helemaal open en was geïnfecteerd geraakt.
    'Dat is trouwens de reden dat Emil uit het leven stapte,' zeg ik en knabbel aan een hard stuk vel bij mijn wijsvinger.
  2. dunne laag, bijvoorbeeld van papier
    Nella geeft hem het vel papier terug.
    'Het zou best kunnen dat er iets is gebeurd op die Camino, mevrouw Bonnet,' zei hij en tikte met zijn pen op het vel papier.
  3. afgestroopte huid
    Rensing maakte een mooi pakketje van het vlees; het vel schraapte hij zo goed als hij kon af maar hij was geen leerlooier; hij vouwde het op en stopte het in een plastic zak.

Etymologie

*> Middelnederlands: vel, verwant aan fell, *fill, ontstaan uit *fello- en dit vanuit IE *pello- of *pelno- vanwaar Latijn: pellis : πέλλα Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892

Uitdrukkingen

  • Goed/Lekker in zijn vel zittenZich prettig voelen
  • Iemand het vel over de oren halen/trekkenAl het mogelijke van iemand eisen, of iemand uitzuigen
  • Uit zijn vel springenErg kwaad worden of zijn
  • Vel over been zijnErg mager zijn

Vertalingen

Engelssheet, skin
Fransfeuille, peau
DuitsBlatt, Bogen, Haut
Spaanshoja, pellejo, piel
Italiaansfoglio, pelle
Russischшкура
Zweedsblad, hud, skinn
Deensblad, hud, skind