veer

mannelijk/vrouwelijk (de)/ver/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lichaamsbedekking van een vogel
    Vogels in de rui verliezen hun veren.
  2. techniek (techniek) mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    Het veertje was gebroken en dit bracht het uurwerk tot stilstand.
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    Het veer tussen Perkpolder en Kruiningen is uit de vaart genomen.
  2. bedrijf (bedrijf) dienstverlening die mensen en hun vervoermiddelen naar de overkant van een rivier of ander water brengt
  3. aardrijkskunde (aardrijkskunde) plaats waar men over een rivier of andere watervlakte kan worden overgezet
    Toen de brug vernield was, moest men zich met een veer behelpen
    Hij toog over het veer van de Jabbok (Gen. 32 : 22)

Etymologie

*[B] (erfwoord) via Middelnederlands "vere" van Oudnederlands "fera", als toponiem aangetroffen vanaf 1174

Vertalingen

Engelsfeather, spring, ferry
Fransplume, ressort, bac
DuitsFeder, Feder, Fähre
Spaanspluma, resorte, muelle
Italiaanspiuma, molla, traghetto
Portugeesmola
Russischперо, пружина, паром
Chinees弹簧
Japansばね
Koreaans용수철
Arabischنابض
Turksyay
Poolspióro, sprężyna
Zweedsfjäder, fjäder
Deensfjeder