veehouder
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (veeteelt) boer die leeft van veeteeltDe uitkoopregeling voor veehouders had tot drie keer zoveel stikstof kunnen reduceren.[https://www.nrc.nl/nieuws/2026/01/13/de-uitkoopregeling-voor-veehouders-had-tot-drie-keer-zoveel-stikstof-kunnen-reduceren-a4916895 www.nrc.nl (13 jan 2026)]De tweede optie is aanpassen. De boerderij gaat dus niet dicht en de boel gaat ook niet helemaal op de schop. Een aanpassing kan bijvoorbeeld zijn om dieren minder eiwit te voeren. "Door anders te voeren kan een veehouder de stikstofuitstoot tot 20 procent verminderen", vertelt onderzoeker Gerard Migchels van Wageningen University & Research.
Etymologie
* In de betekenis van ‘boer die leeft van veeteelt’ voor het eerst aangetroffen in 1769
Vertalingen
Engelsrancher
Franséleveur bovin
DuitsViehhalter
Spaansganadero
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek