veeboer
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (veeteelt) (beroep) boer die zich vooral met het fokken van vee bezig houdt
Etymologie
* In de betekenis van ‘boer die leeft van veeteelt’ voor het eerst aangetroffen in 1867
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek