vastlegging

vrouwelijk (de)/ˈvɑstlɛɣɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het onveranderbaar noteren van iets
    Maar het daaropvolgende analysewerk en de schriftelijke vastlegging zou helaas een paar uur duren.
  2. iets blijvend op een plaats bewaren
    "Je kunt nooit de emissie naar nul krijgen als je niet ook meer doet aan de zogeheten vastlegging op de grond. Dat bos moet dan ook duurzaam beheerd worden, anders helpt het alsnog niet."
  3. iets vastmaken aan iets anders

Etymologie

* afleiding van (nomact) vastleggen