vak
onzijdig (het)/vɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) beroep [1]Een vak uitoefenen.Het is maar goed dat ik het in mijn vak niet van de sympathie van anderen hoef te hebben.
- ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvakZe gaan: de rookmelders vervangen, de waterzuiveringstank van vak 2 vervangen en een nieuwe tank installeren in vak 3 van het wateropslagsysteem, de badkamer en keuken schoonmaken, het toilet-dat- steeds-stukgaat repareren."Het dier was gelukkig ongedeerd, maar wel heel blij toen hij uit het vak gered werd", meldt de politie.
- (onderwijs), (wetenschap) specifieke tak binnen de wetenschap, discipline [2]
Etymologie
* In de betekenis van ‘begrensd deel’ voor het eerst aangetroffen in 1319
Uitdrukkingen
- Een oude rot in het vak (zijn) — alles van het vak afweten en alles weten hoe te doen
Vertalingen
Engelsjob, subject
Fransprofession, matière
Spaansoficio, asignatura
Poolsprzedmiot
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek