uitzinnigheid

vrouwelijk (de)/œytˈsɪnəxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand waarin je je heel opgewonden en onbeheerst gedraagt
    Bovendien bleek de zanger een meester in het ophitsen van het publiek. Bij een optreden van Kaiser Chiefs in Paradiso, Amsterdam, liet zanger Ricky Wilson zich over de handen van het publiek van het podium naar de bar vervoeren, waar hij een glas bier dronk en vervolgens op dezelfde manier terug reisde. Voor Kaiser Chiefs is uitzinnigheid het doel. Niet om zichzelf er in te verliezen, zoals sommige collega’s wel doen, maar door uitzinnigheid voor anderen mogelijk te maken.
    Uitgangspunt voor uitzinnigheid, want wat doe je als je moeder twee maanden weg is met nieuwe make-up en een nieuwe minnaar? Juist: keten.
  2. op overdreven of gezochte manier sterk afwijkend van wat wat gebruikelijk is
    De boeken in de uitstalling van de Kookboekhandel lijken elkaar te willen overtreffen in uitzinnigheid. Dik is mooi, is het motto. En waar het ornament in de reguliere boektypografie nog een misdaad is, zijn krullen, grappige tekeningetjes en negentiende-eeuwse drukletters zo’n beetje een verplichting voor een kookboekontwerp.
    De uitzinnigheid van het onderwerp hielp hem ook een handje, zegt Joost Zwagerman. (…) In zijn nieuwe, epische gedicht koopt hoofdpersoon Roeshoofd een manisch-depressieve aandoening in een futuristische supermarkt, T-Mart geheten.
  3. onvermogen tot verstandig of redelijk gedrag

Etymologie

*van Middelnederlands "utesinnicheit", op te vatten als afleiding van "uitzinnig"