uitspringen

/ˈœytsprɪŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. absol (absol) naar buiten, vooruitsteken.
    Die punt springt een stukje uit.
  2. erga (erga) met een sprong naar buiten gaan
    Hij was het raam uitgesprongen.

Vertalingen

Spaanssobresalir