uitsteken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) in grootte de rest voorbijstreven
    Die boom steekt boven de andere uit.
  2. ditr (ditr) (de ogen) met een scherp voorwerp stekend verwijderen
    Men stak hem de ogen uit.
  3. ov (ov) uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
    Als je links afslaat moet je je hand uitsteken.
    Net op tijd kon ik mijn hand de tent uitsteken om mezelf zichtbaar te maken.
    Teresa vond haar een beetje lijken op een krab die op de vlucht sloeg voor een hoge golf, niet bij machte haar hoofd uit haar pantser te steken.

Vertalingen

Engelsgouge out, stretch
Franséborgner, étirer
Duitsausstechen, überragen, übertrumpfen
Spaansarrancar