uitnodigen
/ˈœytnodəxə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand verzoeken iets bij te wonenHij nodigde hen uit voor een belangrijke bijeenkomst.Er klonk countrymuziek uit zijn autoradio en hij nodigde mij uit om een nacht in zijn guesthouse in de tuin te blijven logeren.Door alleen te zijn stapte ik sneller op mensen af en doordat ik alleen was durfden mensen mij eerder te benaderen en uit te nodigen in hun huis.
Vertalingen
Engelsinvite
Fransinviter
Duitseinladen
Spaansconvidar
Italiaansinvitare
Portugeesconvidar
Poolszapraszać
Deensansøge
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek