uitnemendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. heel in het bijzonder
    Op zondag 1 februari 1953, de dag van de watersnood, was het verbod van kracht geworden om niet-ingeënt vee te vervoeren: „Veelzeggend, ook vanwege de zondag, de zondendag bij uitnemendheid”. Reformatorisch Dagblad Mr. Dirk Vergunst 03-11-2018 [https://www.rd.nl/opinie/sgp-is-populistische-partij-1.1524804 SGP is populistische partij]
  2. voortreffelijkheid
    Ook hierin vertoont hij gelijkenis met Paulus, die aan de gemeente van 2 Korinthe (12:7) schrijft dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, maar dat God hem een engel des satans heeft gegeven, die hem met vuisten sloeg. Opdat hij zich door de uitnemendheid van de openbaringen niet zou verheffen. Ook Paulus wijst hier op het gevaar van hoogmoed. Reformatorisch Dagblad Prof. dr. Wim de Vries 28-12-2018 [https://www.rd.nl/opinie/luther-leert-ons-zowel-beslistheid-als-ootmoed-1.1537279 Luther leert ons zowel beslistheid als ootmoed]

Etymologie

* afleiding van uitnemend

Vertalingen

Engelseminence, excellence