uitmaken

/ˈœytmakə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
    Ze hebben het na drie jaar toch uitgemaakt.
  2. ov (ov) doven (van vuur)
    Ik heb het vuur uitgemaakt met een flinke puts water.
  3. ov (ov) beslissen, verschil maken, van belang zijn
    Wie zal uitmaken of het wel waar is.
    Het spel was, zoals zo vaak dit seizoen, niet om aan te zien. Maar wat maakte het uiteindelijk uit. De schaamte van een jaar geleden is uitgewist. Het publiek, dat bijkans gek werd van de spanning, juichte twee keer uitbundig. En dat was bij de 1-0 en 2-0 van Jong PSV. Tubantia Leon ten Voorde 22-04-19 [https://www.tubantia.nl/fc-twente/fc-twente-heeft-de-titel-binnen-na-remise~a4617da4/ FC Twente heeft de titel binnen na remise]
    Wat uitmaakt is dat hij er niet meer is sinds haar achtste jaar.
  4. ov (ov) uitschelden
    Ik heb hem voor sukkel uitgemaakt.
  5. inerg (inerg) deel ~ van: een onderdeel zijn van iets
    Het Nederlandstalige WikiWoordenboek maakt deel uit van een heel stelsel van WikiWoordenboeken.

Uitdrukkingen

  • de dienst uitmaken
  • niets uitmaken

Vertalingen

Engelsend, terminate, extinguish
Spaansacabar, concluir, terminar