beslissen

/bəˈslɪsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) vaststellen wat er gaat gebeuren
    De ouders beslisten dat hun kind naar die bepaalde school ging.
  2. kiezen tussen verschillende mogelijkheden
    Maandenlang hoefde ik niets te beslissen, alleen te zorgen voor eten, drinken en een slaapplek.
    Na verloop van tijd wist de tweeling dat papa en mama altijd eerst samen overlegden voordat er ergens over werd beslist.
    Deze wedstrijd zal beslissen wie de winnaar van het toernooi is.

Etymologie

*afgeleid van slissen

Vertalingen

Engelsdecide
Fransdécider
Spaansdecidir
Poolsdecydować