uitleiden

Betekenis

werkwoord
  1. iets of iemand naar buiten begeleiden
    De buschauffeur die meerijdt vertelt over de dagelijkse tekst uit de bijbel die hij via een app op zijn telefoon krijgt . ‘Ik zal mijn volk uitleiden’, stond er deze ochtend. „Jongens, het is nog te vroeg voor dit soort discussies”, breekt Voorberg zijn religieuze ochtendoverpeinzingen af. NRC Christiaan Paauwe 26 december 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/12/26/geen-migrant-mee-terug-maar-dat-deert-niet-a3127095 Geen migrant mee terug, maar dat deert niet]
    Voor de moderne gelovige in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was Harry Kuitert, die vrijdag op 92-jarige leeftijd overleed, een Mozes die het volk uitleidde uit het ‘diensthuis’ van de gereformeerde zekerheden. NRC Herman Amelink 10 september 2017 [https://www.nrc.nl/nieuws/2017/09/10/theoloog-die-bijbel-en-god-betwistte-3675441-a1572940 Theoloog die Bijbel en God betwistte]
  2. iets afsluiten