uitlaten

/ˈœytlatə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand ~: iemand het huis uit begeleiden
    Laat jij de gasten even uit?
  2. ov (ov) iets ~: een huisdier -meest een hond- naar buiten laten
    De hond wordt altijd 's avonds nog even uitgelaten.
    Maar er zijn ook veel verleidingen en risico’s op de werkvloer te vinden of als je de hond uitlaat.
  3. refl (refl) zich ~ over: een uitspraak ergens over doen
    De bewindsman liet zich hier niet over uit.