uitdelen

/ˈœydelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) meerdere personen ergens op trakteren
    Op zijn verjaardag deelde Joost chips uit.
  2. eufemisme (eufemisme) geven van klappen, boetes of straffen
    Gelukkig werd er alleen wiet gevonden, dat wel geconfisqueerd werd maar waar verder geen straffen voor werden uitgedeeld.

Vertalingen

Engelsdistribute, deal out, hand out
Fransdistribuer
Duitsverteilen
Spaansrepartir, abarajar