twatwa
mannelijk (de)/ˈtwatwa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) , een gorzensoort uit Midden- en Zuid-Amerika
Etymologie
*(klanknabootsing) van de roep van deze vogel
Vertalingen
Engelslarge-billed seed-finch
Franssporophile crassirostre
DuitsMohrenreisknacker, Dickschnabelreisammer
Spaanssemillero picón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek