troon

mannelijk (de)/troːn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
  2. figuurlijk (figuurlijk) het koningschap

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘staatsiezetel van vorst’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelsthrone
Franstrône
DuitsThron
Spaanstrono
Italiaanstrono
Portugeestrono
Russischтрон
Japans王座, 玉座, 王位
Turkstahta
Poolstron
Zweedstron
Deenstrone