troon
mannelijk (de)/troːn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (adel) zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
- (figuurlijk) het koningschap
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘staatsiezetel van vorst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsthrone
Franstrône
DuitsThron
Spaanstrono
Italiaanstrono
Portugeestrono
Russischтрон
Japans王座, 玉座, 王位
Turkstahta
Poolstron
Zweedstron
Deenstrone
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek