trommel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈtrɔməl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
    De een speelde de fluit en de andere de trommel.
  2. een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos
    Doe die koekjes even in de trommel, dan blijven ze vers.

Etymologie

*via Middelnederlands """ (als onderdeel van "trommelstock" mogelijk afgeleid van "trom" , van "trommelen" of van "trummel"; in de betekenis van ‘slaginstrument’ aangetroffen vanaf 1538

Vertalingen

Engelsdrum, can, tin
Franstambour, batterie
DuitsTrommel
Spaanstambor, caja, lata
Portugeestambor, caixa de rufo
Russischбарабан, барабан, барабан
Japans太鼓, ドラム
Poolsbęben
Deenstromme