trom

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) doos ofwel trommel overspannen met een vel waarop men slaat om muziek te maken

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘slaginstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1507

Uitdrukkingen

  • Stilletjes of ongemerkt weggaan.
  • Ergens met veel drukte of lawaai de aandacht op vestigen.