trillen

/'trɪlə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) snel heen een weer bewegen
    De snaar trilde totdat de harpist deze met zijn hand afdempte.
    Ik stond te trillen op mijn benen.
    Zijn armen en benen beginnen te trillen van de inspanning en van, vermoedelijk, de angst.

Etymologie

* In de betekenis van ‘beven’ voor het eerst aangetroffen in 1434

Vertalingen

Engelstremble, shake, vibrate
Fransvibrer
Duitszittern, vibrieren
Spaanstemblar, vibrar, rehilar