trias
vrouwelijk (de)/ˈtrijɑs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uit drie zelfstandige delen bestaand geheel
zelfstandig naamwoord
- (geologie) geologisch tijdperk, eerste periode van het era mesozoïcum, van 252 tot 201 miljoen jaar geleden
Etymologie
*(n): van "Trias", naar de in Duitsland voor gesteenten uit deze periode kenmerkende beschrijving in drie onderscheiden lagen (Keuper, Musschelkalk en Bontzandsteen); in 1834 door de Duitse geoloog F. von Alberti voorgestelde naam[http://83.247.6.40:8080/railo/viewer/?publisher=ForumC&publication=Radix&pagenumber=8%3B9%3B10%3B11%3B12%3B13%3B14%3B15%3B16%3B17%3B18%3B19%3B20%3B21%3B22%3B23%3B24%3B25%3B26%3B27%3B28%3B29%3B30%3B31%3B32&type=article&pdate=19770401&fname=19770401-00-ART-172072.xml&search= "Ontstaan en ontwikkeling van de geologische tijdtafel" in Radix (1 April 1977) op website: digibron.nl]; p. 68 en 69; geraadpleegd 2016-01-27
Vertalingen
EngelsTriassic
SpaansTriásico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek