trekken

/ˈtrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voor het zwaartepunt van een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
    Hij trok zijn gevallen fiets uit de modder.
  2. ov (ov) een lijn aanbrengen
    Door twee punten kan een rechte lijn getrokken worden.
  3. erga (erga) een lange tocht uitvoeren
    Deze vogels trekken 's winters naar Zuid-Afrika.
    Van lieverlede werd hij echter beschouwd als de 'vriend der kinderen'. In Nederland leest men over het St. Nicolaasfeest voor het eerst in het jaar 1360. De koorknaapjes in Dordrecht kregen er vrij voor. In optocht trokken zij door de stad en bedelden, met een smekend gebaar, hun bisschopsgeld bij elkaar. Maar in de zeventiende eeuw werd dit verboden!
    Net als ik vond ze het heilzaam om er af en toe alleen op uit te trekken.
  4. ov (ov)aandacht opwekken, lokken
    Deze tentoonstelling trok erg veel publiek.
    Hij had in Mammoth Lakes tijdelijk de trail verlaten om zijn vriendin een weekje op te zoeken, maar was kennelijk niet meer teruggekomen. Het off-trail-leven trekt kennelijk harder aan je dan je zou denken.
  5. ov (ov) bestanddelen uit plantaardig of dierlijk weefsel door onderdompeling in heet water daarin overbrengen
    Ik vind thee niet lekker als je die zo lang laat trekken.
    Van die kluif kunnen we nog bouillon trekken.
  6. spreektaal, seksualiteit (spreektaal), (seksualiteit) masturberen, rukken [2]

Etymologie

*van Middelnederlands "trecken", in de betekenis van ‘naar zich toe halen, naar een andere plaats gaan’ aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • foto trekken
  • het niet lang meer trekken
  • het niet trekken
  • je plan trekken
  • op niets trekken
  • op niks trekken
  • over de streep trekken
  • trekken op

Vertalingen

Engelspull, drag, haul
Franstirer
Duitsziehen, ziehen, ziehen
Spaanstirar
Italiaanstirare
Portugeessacar, puxar, tirar
Turksçekmek
Poolsstrzelać
Zweedsdra, draga, hala
Deenstrække, trække, trække