tralie
vrouwelijk (de)/traːli/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (f) een houten of metalen spijl waarmee een opening wordt afgeslotenDe dief wist te ontsnappen door de tralies door te zagen.
- (n) (f) (natuurkunde) (optica) een plaatje met een groot aantal parallelle lijnen erop dat diffractie vertoont voor licht
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spijl’ voor het eerst aangetroffen in 1317
Vertalingen
Spaansred de difracción
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek