tralie

vrouwelijk (de)/traːli/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (f) een houten of metalen spijl waarmee een opening wordt afgesloten
    De dief wist te ontsnappen door de tralies door te zagen.
  2. natuurkunde, optica (n) (f) (natuurkunde) (optica) een plaatje met een groot aantal parallelle lijnen erop dat diffractie vertoont voor licht

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spijl’ voor het eerst aangetroffen in 1317

Vertalingen

Spaansred de difracción