tralala

onzijdig (het)/ˌtralaˈla/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. (gebruikt in liedjes om het opgewekte of spottende karakter te versterken)
    Elke keer dat Wiesje van Krieken bij ons thuis kwam, zong ik op de wijs van "O zie de morgen krieken, tralala" ‘O zie juffrouw van Krieken tralala’.
    Wel wat maekt die vent alhier?Dat hy komt spelen met zijn Lier,Laet ons drinken, tralala,(…)
  2. (gebruikt om een melodie aan te geven, ook wel als vervanging van tekst die je niet kent)
    Hoor je dat, Lil? Beethoven, de grootste componist aller tijden... Was ik maar componist geworden, ja, dat had ik moeten worden. Waarom ben je niet bij me? Ik mis je zo... Mooi hè? Hoor je wel? Tralala.
    Zy is my ook op die conditie en voorwaarde, moetje weten, gegevenDat er voor gezongen moest worden; nu, lustig als een man, jou stemmetje mee eens opgeheven!Tra la la la la la lara! Maar wat duyker Jochem! ik hoor noch niet een zier.
zelfstandig naamwoord
  1. woordenloos gezang
    Een liedje uit zijn vooroorlogse jeugd zong hij, liefje rijmde op boterbriefje, en waar hij de woorden niet meer wist zong hij tralala, terwijl hoog in de lucht zijn handen iets kleins en ronds beschreven.
  2. vrolijke stemming
    (…) de jaarlijkse samenvatting ('voor vakantiegangers') van een weekje zomernieuws was reuze gezellig, maar het tralala verstomde op slag bij de neergehaalde MH17 in Oekraïne.
  3. figuurlijk (figuurlijk) zinloze overdaad
    De Vlaming is pragmatisch, realist, wars van Italiaanse of Spaanse tralala. Een Vlaming is niet gediend met zuiderse versiersels, hij is daarvoor te nuchter.

Etymologie

*(klanknabootsing), vergelijk "tralala" en "tra-la-la"