tragiek
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het verdrietige, het treurigeDe tragiek van deze ramp was dat de redding zo nabij was en toch iedereen is overleden.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het treurige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1920
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek