tragiek

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het verdrietige, het treurige
    De tragiek van deze ramp was dat de redding zo nabij was en toch iedereen is overleden.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het treurige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1920