tour

mannelijk (de)/tur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rondreis, rondgang, toer
    Hoewel het bij mijn oudste dochter soms lastig was om een afspraak in haar drukke tieneragenda in te plannen, reden we samen naar Groningen om in mijn oude studentenhuis te logeren en zijn we bezig met een tour om in elke provincie een biefstuk te eten.
  2. sport (sport) Tour de France

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘rondrit’ aangetroffen vanaf 1667

Vertalingen

Spaansgira