tonijn
mannelijk (de)/toˈnɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht , gewild als consumptievisVan de tonijnen is vooral de blauwvintonijn bedreigd in zijn voortbestaan door overbevissing.
- (voeding) vlees van vissen uit het geslachtUit de Japanse keuken is tonijn is niet weg te denken.Barbie werd uitgelachen dat hij al drie weken lang alleen maar ‘ramen bomb’ at (een pakje noedels met een pakje aardappelpuree en een blik tonijn door elkaar).
Etymologie
*via Middelnederlands """ van "tonine", in de betekenis van ‘beenvis’ aangetroffen vanaf 1351
Vertalingen
Engelstuna
Fransthon
DuitsThunfisch
Spaansatún
Italiaanstonno
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek