tonic

mannelijk (de)/ˈtɔnɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) soort kleurloze, licht bittere, koolzuurhoudende frisdrank
    Je riep de kelner en vroeg wat hij drinken wilde. Hij wilde tonic. Hij kon geen drank meer zien, zei hij.
  2. drinken (drinken) glas of blikje met bepaalde kleurloze, licht bittere, koolzuurhoudende frisdrank
    Hij keek kritisch toe bij het werk van zijn broer, die een tonic pakte uit een bak achter de tapkast.
  3. cosmetica (cosmetica) vloeistof bestemd om de huid te reinigen voor het aanbrengen van dagcrème
    Dermo Purifyer is een nieuwe serie om een huidprobleem te verhelpen waarvan vooral pubers last hebben: een onzuivere huid met puistjes, ofwel acne. (…) Dermo Purifyer is niet minder dan een lijn en bestaat uit een reinigingsgel, een tonic, een crème-gel en een scrub.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘spuitwater’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1955